Geplaatst door: 
Verhaal

Ab Goutbeek, Vechtdaldeskundige

‘Mijn opa en oma woonden vroeger op een klein boerderijtje bij Junne. Mijn vader is daar opgegroeid en als jonge jongen is hij daar nog een paar ’s zomers koeherder geweest. Elk jaar werd er door de gemeenschap namelijk een koeherder aangesteld. Dit ging via aanbesteding; de gene die het laagste inschreef kreeg de klus. De koeherder haalde ’s ochtends na het melken de koeien op bij de boeren en nam ze mee, via de koedrift, naar een gemeenschappelijk stuk grond, het Junnerkoeland. Na de kanalisatie van de Vecht moest de kudde via een doorwaadbare plek door de Vecht. Later werd er een houten brug aangelegd. De koeherder begeleidde de kudde de hele dag en bracht de koeien aan het eind van de dag weer terug naar de boeren. Er was altijd één stier mee en als die een koe gedekt had moest de koeherder dat melden; de eigenaar van de koe moest hiervoor dan één gulden betalen aan de eigenaar van de stier.

In 1932 werd mijn opa en oma de pacht opgezegd van hun boerderijtje. En van Junne kwamen ze toen in een klein huisje in het buurtschap Emmen bij Dalfsen terecht. Het waren de crisisjaren; werk was er nauwelijks. Mijn opa overleed al snel en mijn vader was verantwoordelijk voor de inkomsten. Hij pakte alles aan, maar het was armoe in die jaren. Eind 1936 werd ik geboren in dat kleine huisje. Na mij volgden nog drie broers. We groeiden buiten op. De akkers, het hooiland, de houtwallen; het was onze speel- en leefwereld. Ik was een nieuwsgierig kind; alles wat in het Vechtdal bloeide en groeide interesseerde mij enorm.

En die interesse heb ik mijn hele leven gehouden. Het Vechtdal is een geologisch monument van 100.000 jaar oud, een archeologisch monument van 10.000 jaar oud en een cultuurhistorisch monument van 1000 jaar oud. De verbanden hiertussen vind ik vreselijk boeiend.

De liefde voor de natuur en de nieuwsgierigheid naar de wereld om mij heen heb ik van mijn vader meegekregen. Elke zondag nam hij ons mee uit wandelen en dan plukten we elke bloemsoort en elk grasje dat we tegenkwamen. Hij nam oude tijdschriften voor ons mee en van hem kreeg ik op mijn elfde mijn eerste vogelboekje; het begin van mijn eigen bibliotheek. Inmiddels bezit ik een enorme schat aan documentatie, bestaande uit boeken, tijdschriften, knipsels en vele oude geografische en geologische kaarten. Ik heb regelmatig contact met de universiteiten van Amsterdam, Leiden en Wageningen. Hun medewerkers maken gebruik van mijn informatie. Onder andere met betrekking tot mijn vlindercollectie die ik vanaf 1958 heb opgebouwd. Deze collectie bestaat uit 20.000 vlinders; 1000 verschillende soorten, allemaal voorkomend hier in het Vechtdal. 

Ik geef met veel plezier regelmatig lezingen over alles wat met het Vechtdal te maken heeft.  Over geologie, over archeologie en over de cultuurhistorie.  Bijvoorbeeld over de vroegere loop van de Vecht, de geschiedenis van Rechteren, Gerner of Ruitenborgh, of over de invloed van de rijke mensen uit de stad op de flora en fauna in het Vechtdal.’

Reacties