Geplaatst door: 
Verhaal

Het leven en wonen in het Vechtdal.

Het leven en wonen in het Vechtdal.

Ik ben geboren net voor de Tweede Wereldoorlog op de havezate Arendshorst in de buurtschap Varsen. Toen was het woonadres O 23. (Later is het adres gewijzigd en werden de namen van wegen gebruikt.)
Havezate Arendshorst werd in 1408 al bewoond door ene Albert van den Laer. Voor meer informatie over deze Havezate verwijs ik naar het boek “De havezaten in Salland en hun bewoners”. De buitengrachten zijn nog zichtbaar en zijn nu een gemeentelijk monument. De binnengracht was nog gedeeltelijk zichtbaar, zie foto. Dertig jaar geleden is deze gracht geslecht.
De boerderij en de daarbij behorende gronden waren toen eigendom van het landgoed Vilsteren, ondanks dat het aan de overkant van de Vecht was gelegen. Dit hield ook in dat we behoorden tot de parochie van Vilsteren. 

Toen ik zes jaar was, moest ik naar school in Vilsteren. Dat betekende elke dag, lopend door de weilanden, met de boot over de Vecht en door het kluizenaarsbos lopen naar de school in Vilsteren. Wanneer de school om drie uur uit ging, dan liep je weer naar de Vecht en ging boven aan de belt staan zwaaien met de zakdoek, tot je gezien werd. Dan werd je weer met de boot opgehaald. Wanneer de onderwijzer ziek was en je kreeg vrijaf, dan kon je aan de Vecht uren zwaaien, maar niemand zag je dan. Mijn ouders hebben toen de afspraak gemaakt met meester De Wit, is de meester ziek dan werd ik ingedeeld in een andere klas en had ik geen vrij. Ik mocht geen misdienaar worden en niet bij het jeugdkoor in Vilsteren. Dat was veel te lastig met het ophalen en wegbrengen met de boot over de Vecht.

Na schooltijd moesten we ook regelmatig naar de bakker om roggebrood mee te nemen, een 5 ponder, best wel zwaar. Je kreeg dan van thuis een bonnetje mee, die je inleverde bij de bakker en dan betaalde je alleen het bak- en maalloon. Waren de bonnetjes op, dan moest mijn vader weer rogge brengen naar de molen in Vilsteren. Daar werd het gemalen en bij de bakker werd  er roggebrood van gebakken en  kregen wij weer een nieuw stel bonnetjes.

Normaal liep je altijd op klompen. Zondags gingen we naar de kerk, dan gingen de schoenen in de tas mee. In Vilsteren (Siegerssteeg tegen over waar Hendriks woonde) werden de schoenen aangedaan en de klompen in de tas achter een dikke beukenboom geplaatst. Zo kwam je met keurig gepoetste schoenen de kerk binnen. Na de kerk, de schoenen in de tas en de klompen weer aan.

In de winter vroor de Vecht regelmatig dicht. Wanneer de eerste ijsschotsen kwamen, dan moest je lopend over de stuw naar Vilsteren, een uur lopen heen en een uur terug. Weer of geen weer, sneeuw of geen sneeuw, je ging. Was de Vecht helemaal dicht gevroren, dan werd een route over de Vecht uit gezet. Mijn vader ging dan met een balk en een bijl de Vecht op om te kijken hoe dik het ijs was. Was de route veilig bevonden, dan mochten we lopend over het ijs naar school.

De boot was eigendom van buurman Jutten, maar werd gemeenschappelijk gebruikt. De boot werd ook één keer per jaar, via de Stouwesloot, uit het water gehaald om hem van binnen en buiten te behandelen met koolteer. Het was dan altijd oppassen dat je nadien geen teer in je zondagskleren kreeg. 

Op de Vecht had je in de weekend en ‘s zomers, zeilbootjes. Het was een mooi gezicht hoe ze tegen de wind in laveerden. Tijdens de vakantie, overnachtten de zeilers in een klein tentje of onder zeil aan de kant van de Vecht. Ze kwamen ze bij ons om melk of eieren te halen.
De brandstofhandelaar uit Ommen, Jan van de Zwarties, als kind noemden we hem ook wel Jan van Ommen, (de  werkelijke naam was van Elburg) had een vrachtboot. Als mijn vader turf bestelde, werd het via de vrachtboot geleverd en op de kant van de Vecht gegooid. We moesten de turf dan met paard en wagen van de Vecht op halen. Aan eind van de tweede oorlog hebben ze de vrachtboten voor de Duitsers verstopt, tegen over het Vilsterse bos. De familie van Elburg kan zeker meer vertellen over de scheepvaart op de Vecht.

In de wintermaanden stonden de weilanden regelmatig onder water. Bij mijn weten had het toen ook een functie, het slib wat er achter bleef, was een soort van bemesting. Het water heeft toen wel eens tot aan de boerderij (Arendshorst) gestaan, zodat je niet meer met droge voeten om de boerderij kon lopen. Om boodschappen te doen, was je dan de boot nodig, omdat de toegangsweg naar de boerderij onder water stond. Enige jaren geleden gebeurde dit weer, toen was het wereldnieuws, met een grote foto in de Telegraaf.

De Vecht had ook een grote aantrekkingskracht op vissers. We hadden regelmatig vissers uit Twente die kwamen peuren en overnachten in de hooiberg. Mijn moeder kookte dan weleens eieren voor hen, als ontbijt. Ongevraagd leenden ze s’ nachts ook wel de boot en gingen dan in de Vilstersebossen strikken zetten. Het kwam dan ook wel eens voor dat, wanneer we zondags naar de kerk wilden, de boot nog aan de overkant van de Vecht lag. Ook is er een verhaal dat de boswachter van Vilsteren, in de volksmond “Gratsie” genoemd, de vissers uit Twente had betrapt met het stropen. De vissers gingen er van door en sprongen in de boot. Gratsie sprong ook maar naast de boot en de vissers zijn naar de overkant geroeid, met Gratsie hangend aan de buitenkant van de boot. Hij kon niet zwemmen.

Mijn broer en de buurjongens zijn  ook gepakt door Gratsie met het vangen van hazen. Met hoog water roeiden ze naar de hoge landkoppen, daar  zaten de hazen. We hadden een foxhondje dat harder kon zwemmen dan de hazen. Het was dus een kwestie van de hazen het water in te jagen en de hond bracht ze weer terug of je ging ze met de boot halen.

In mijn jeugd waren we altijd in de weilanden op zoek wat de Vecht weer had aangespoeld. Een bal, een fles etc. en zelfs een pet van een stationschef. 
In het voorjaar was het uiteraard eieren zoeken. In één weiland lagen altijd meerdere nesten en als je bij de kievit het ei verwisselde voor een pootaardappel, dan legde ze gewoon door tot het aantal van 4.
De predators, zoals vossen en kraaien, werden zowel door de boeren als de jagers in toom gehouden. Nu zijn er praktisch geen grondbroeders meer, ondanks dat een groot gedeelte van het Vechtdal in beheer is van natuurbescherming. Kennelijk moet het beleid om en moet men de predators weer gaan beheren, zodat de grondbroeders weer een kans krijgen. Ik heb jaren aan nest  bescherming voor weidevogels, gedaan en mijn ervaring was dat de nesten binnen 14 dagen  waren gesloopt door een predator, ook tot ergernis van de boeren. 

In het voorjaar kreeg je soms lucifers mee. De sloten moesten dan schoon gebrand worden. Een broedende eend had daar wel eens problemen  mee.

Ik heb tijdens mijn leven heel veel zien veranderen in het gebied. De Leusenermaan is door de ruilverkaveling geheel vlak gemaakt. Er stonden toen 14 draglines te  werken. 
Ook zijn diverse watergaten geslecht, ten behoeve van de landbouw. Nu is het grotendeels natuurgrond geworden en wordt het beheerd door Staatsbosbeheer (SBB).

Wim Mulder.

Reacties