Geplaatst door: 
Verhaal

Jan Mensink, opzichter op Landgoed Junne

In 1972 begon de toen 34 jarige heer Jan Mensink als opzichter van het landgoed Junne. Het landgoed was op dat moment eigendom van Delta Lloyd. Mensink was als beheerder in dienst van de Heidemij. Later kwam hij in dienst van Delta Lloyd.”Ik zie mezelf als een opzichter. Het was mijn taak om het bos in goede conditie te houden, maar ik lette ook op de huisjes, die her en der in het bos stonden.”

Het landgoed Junne was in de eerste helft van de 18e eeuw in bezit van de familie van Pallandt. In 1898 werd het overgenomen door een Duitse adellijke familie, de familie Lübs. Het gebied was toen vooral een jachtgebied. De familie Bentinck was de volgende eigenaar, zij verkochten het landgoed in 1938 aan verzekeringsmaatschappij Amstleven. In de crisisjaren was er in het kader van de werkverschaffing een werkkamp in de buurt. Veel mensen werkten in de bosbouw. Er werd veel nieuwe aanplant gedaan, met name lariks en Douglas-dennen. Later werden er huisjes in het bos gebouwd. De verzekeraar zag het landgoed als een mogelijkheid voor ontspanning van het eigen personeel. De Heidemij, de werkgever van de heer Mensink, werd door Amstleven ingehuurd om het bos in goede conditie te houden.

 “Mijn doel is steeds geweest de eenheid op het landgoed te bewaren. De landbouw, bosbouw, recreatie, veeteelt, de jacht en de visserij: allemaal bezigheden op het landgoed die hun plek moesten hebben. Ieder onderdeel kwam zo zijn problemen tegen in de loop der jaren. Vroeger hadden we elkaar nodig, nu is dat veel minder. Ik kreeg meteen een gouden kans na de 13 novemberstorm in 1972. Er was hier flink wat schade, er lag hier 5000 kuub hout dat weggehaald moest worden uit het bos, met paarden en lichte trekkers. Ik heb toen een dik half jaar alle pachters op het landgoed aan werk kunnen helpen. Dat gaf een mooie aanvulling op het inkomen. Maar veel belangrijker nog vond ik het gemeenschapsgevoel hier. Junne heeft een heel eigen gemeenschap. We zetten er met elkaar de schouders onder en dan kon er veel. Zo hielpen we met elkaar ook het waterschap, wanneer er zandzakken gevuld moesten worden. En ook bij de brandpreventie is de samenwerking nauw. Ieder landgoed in deze omgeving had een eigen groep vrijwillige blussers. In de tijd dat er nog niet zoveel aanstekers waren, ontstond er door een achteloos weggegooide lucifer nog wel eens een bosbrand. Daar zetten we ook met zijn allen de schouders onder. Met de giertank konden we snel een flinke hoeveelheid water ter plekke krijgen.

We hebben een keer een kronenvuur gehad. Dan is de brand in de top van de boom. Door harde wind slaat die brand over op de kronen van andere bomen. Dat valt vanaf de grond niet te blussen. Toevallig waren ze net in de buurt van het Beerzerveld met een vliegtuigje landbouwgrond aan het bespuiten. De burgemeester heeft er toen voor gezorgd dat dit vliegtuigje meehielp met het blussen.

Ik kom zelf uit Twente. Daar is de cultuur wel anders dan hier. Als je daar iets zegt waar ze het niet mee eens zijn, dan zeggen ze: “Ach man, je kletst maar wat!” Hier zeggen ze niks, hooguit ‘Hm, hm.” En ze denken: “Je praat maar mooi.”  Toch heeft de Sallander mij hier gehouden. Ik woon nog steeds in de woning waar ik in 1972 terecht kwam. Ik ben met pensioen inmiddels, maar ik blijf in deze streek. Het is ook een prachtige plek. En door de komst van het fietspad langs de Beerzerweg is het hier in de zomer een drukte van belang met fietsers. Heel gezellig.

Ik kon goed overweg met de familie Seemann van de zagerij. In 1973 had ik eind mei nog 1100 kuub ongeschild dennenhout liggen. Dat mocht absoluut niet, vanwege de dennenscheerder. Die legt zijn eitjes onder het schors van het dode hout. Ik zag geen andere mogelijkheid dan die hoeveelheid hout af te voeren naar de oude Vecht. Seemann hielp mij, met twee trekkers en machines van een loonbedrijf, om alles in het water te krijgen. Maar het werd nog een hele toer om het een jaar later weer uit het water te krijgen. We deden het net als in Zweden. Met veel paardenkracht en een kraan.

Het landgoed is nu zo’n 1025 hectare groot. De huidige bosbaas is in dienst van het rentmeestersbureau. Ik ben in mijn werk zuiver gevormd door de praktijk. Ik heb natuurlijk wel een opleiding gehad bij de Heidemij, maar daarnaast wisselde ik veel kennis en ervaring uit met collega’s uit andere gebieden. Zo konden we ook een stap verder komen. Een van de dingen die ik hier probeerde en die collega’s op den duur van mij overnamen was het dunnen van het bos. Er werd wel over gediscussieerd onder vakgenoten hoe je dat moest doen. Ik kwam uit de landbouw en ik keek naar een perceel bomen, zoals ik ook naar mais keek.  Staatsbosbeheer vond wel eens dat ik te scherp dunde hier en daar. Dat dunnen deed je voor de eindfase, voor de toekomstbomen. Dat moesten grote, rechte bomen worden, bedoeld als zaaghout. Een grote hoeveelheid jongere bomen moest voor dat doel het veld ruimen. Die kleine boompjes waren goed te gebruiken voor afrasteringspalen, die gingen bijvoorbeeld naar Dalfsen, naar Foreco (?). Grote bomen kregen we door dunning en later bereikten we dat ook door meer te bemesten. Maar dan heb je het wel over de jaren negentig. Er werden in die tijd ook grote vellingsmachines ingezet. De mensen op die machines hebben geen binding meer met de buurt en de grond waarop ze werken. Dat vind ik een grote verandering en eigenlijk ook wel een verlies. Vroeger deden we de dunningen met paardentractie. We werkten dan met twee paarden en met mensen uit de buurt. Dat geeft toch een ander gevoel en ook wel een ander resultaat.”

Nog steeds is Mensink in de weer met paarden, maar nu als hobby. Hij mag van zijn oude werkgever Delta Lloyd blijven wonen in de oude opzichterswoning. Hij is dus nog veel te vinden in het bos. En van mooie stukken berkenhout die hij vindt maakt hij midwinterhoorns. Dat Twentse gebruik wil hij nu introduceren in Salland.

Reacties